| Bij de bepaling van de contante waarde van de variabele exploitatie-uitgaven wordt met de jaarlijks terugkerende uitgaven voor beheer, belastingen, verzekeringen, erfpachtcanon en eventueel overige (netto)exploitatieuitgaven rekening gehouden. Indirecte kosten als bestuurskosten en bijvoorbeeld de administratiekosten vormen, mits op een redelijke wijze toegerekend, onderdeel van de bedrijfswaardeberekening. Voor zover uitgaven in het kader van operationele activiteiten niet toerekenbaar zijn aan het vastgoedbezit, vormen deze kasstromen geen onderdeel van de bedrijfswaarde, tenzij vanuit nevenexploitaties geen of onvoldoende dekking wordt gegenereerd. Dit kunnen bijvoorbeeld kasstromen zijn die samenhangen met leefbaarheidsuitgaven (waar via neven- exploitaties in principe geen dekking voor is). In de uitwerkingen van de richtlijn RJ 645 is aan dit onderwerp aandacht besteed. Vanaf jaar 6 dient de corporatie rekening te houden met een stijgingsfactor voor de variabele lasten zoals die door WSW is vastgesteld. Het is van belang dat een eventueel verschil wordt toegelicht tussen het gehanteerde aanvangsniveau van de kasstroom aan variabele lasten in de bedrijfswaarde (totaal van alle deelportefeuilles) en het begrote niveau (na verrekening met vergoedingen en overige bedrijfsopbrengsten exclusief verkoop) volgens het kasstroomoverzicht in hoofdstuk 3.1.1 van dPi 2014. Indien het niveau in dit kasstroomoverzicht (realisatie en/of prognose) hoger is dan in de (totale) bedrijfswaardecalculatie, kan dit duiden op nevenexploitaties die niet kostendekkend zijn of op lasten die niet worden toegerekend (bepaalde leefbaarheids- uitgaven bijvoorbeeld) en op een bedrijfswaarde die om deze reden overgewaardeerd kan zijn. In de kwaliteitscontrole van de dVi zal aan dit aspect aandacht worden geschonken. | nl | http://www.xbrl.org/2003/role/documentation | http://www.xbrl.org/2003/role/link |